De vader, de zoon en het heilige feest: Blog Mekka

09.11.2010
In Mekka

Het is vandaag maandag.
Ik ben al bijna een week in Mekka.
Vorige week woensdag zijn mijn vader en ik, samen met 280 Turkse pelgrims op Schiphol in een vliegtuig gestapt dat ons naar Istanbul bracht.
Maar voor ik zover ben, eerst nog de stappen die daarvoor zijn gezet.

Ik kan op 1 hand tellen hoeveel ik heb moeten doen om mijn vader en mij aangemeld te krijgen voor de Hadj en de bedevaart van theorie te veranderen in praktijk. Dat was zo gemakkelijk omdat we allebei lid zijn van de Islamitische Stichting Nederland (ik vanaf mijn geboorte, omdat ik islamitische ouders heb; dat gaat allemaal vanzelf!):
1: Digitaal heb ik ons opgegeven voor de bedevaart 2010
2: Na bevestiging door ISN twee maal een voorschot overgemaakt
3: Gewacht op bevesting en vervolgens het resterende bedrag betaald
4: Prikken gehaald bij de GGD (tegen polio, difterie, tyfus, hepatitis en mingokokken)
5: Mijn paspoort en vaccinatiepaspoort opgestuurd naar ISN
en klaar was Kees.
Onze namen verschenen op een lijst met Turks-Nederlandse pelgrims. Wij waren nummers 714 en 715 van de 991.

Mijn vader haalde bij het consulaat in Den Haag twee grote tassen met daarin de basis-benodigdheden voor de Hadj:
– Een blok ongeparfumeerde zeep
– Een paar slippers (die ik niet gebruik)
– Een rugtas, een schoudertas en een heuptas.
– Twee witte doeken voor de ihram (kom ik zo op)
– Een gebedsboekje met instructies waar en wanneer wat te bidden (dit gebruik ik) in het Turks en Arabisch.
– Twee boekjes met uitleg over de Hadj (die ik heb gelezen)
– Een boek met foto’s van en over de heilige plaatsen (die ik heb bekeken)
– Lappen stof om een pelgrimspakte maken (niet gebruikt)
– Een masker (er komen hier bijna drie miljoen mensen, van over de hele wereld en die nemen van alles met zich mee. Overigens nog niet gebruikt. En ik voel me nog steeds goed!)

En toen was het plots zover. Er vielen steeds vaker brieven van de ISN in de bus, met uitleg, felicitaties, opmerkingen en ongeveer vier dagen voor vertrek een definitieve datum en tijd. 3 november, 2010, 11u35 vluchtnummer zo en zoveel van Schiphol, Amsterdam. Tussenlanding in Istanbul. Tweede vlucht van Istanbul naar Jeddah.

Twee jaar geleden dacht ik: Ja dat ga ik doen! Dat wordt geweldig!
Maar hoe dichterbij ons vertrek kwam hoe meer twijfel ik begon te voelen.
Wat stond mij te wachten? Ik kreeg afwisselend aanvallen van blijdschap en doodsangst. Ik vond het zo vreselijk spannend. En ik was veel te druk met andere zaken. Ik repeteerde tot twee dagen voor ik zou weggaan nog aan een voorstelling. Tussendoor pakte ik het bidden op, zo goed en zo kwaad als dat ging; verder dan drie maal daags kwam ik niet. Ik moest mijn arabisch bijschaven, want veel van de gebeden in mijn gebedsboekje (die je bijvoorbeeld tijdens een tawaaf, dwz een ommegang rond de Kaaba, moet zeggen) stonden in het arabisch. Dat laatste ging gelukkig een stuk makkelijker dan gedacht. Ik durf ondertussen te stellen dat ik weer net zo goed in de Koran kan lezen als toen ik wekelijks naar koranles in Zutphen ging.
Ik stelde het inpakken van mijn koffer zo lang mogelijk uit. Mijn vriendin zei uiteindelijk: Je moet nu inpakken! Of jij nou je koffer klaar hebt of niet, je gaat!

Woensdagochtend stonden we vroeg op. Het weekend daarvoor had ik al afscheid genomen van familie in Zutphen en dinsdagavond had ik afscheid van mijn beste vriend genomen in Amsterdam.
Met de trein naar Schiphol. Mijn vader kon ik niet bereiken. Later bleek dat hij zijn telefoon thuis was vergeten. Mijn moeder, broer en zusje waren vanuit Zutphen met de auto onderweg. Bij aankomst op het vliegveld (mijn vriendin en een goede vriendin waren mee; een andere vriend die het afscheid zou filmen reisde met een andere trein achter ons aan) kwamen we bij de incheckbalie waar alleen maar Turkse pelgrims en hun familieleden stonden. Nog steeds geen sein van mijn vader.
Uiteindelijk was hij daar, de relaxedheid zelve, hij kon er om lachen. Een oom en tante kwamen aangelopen. Zo fijn. Mijn vader en ik checkten onze bagage in. Hij had er zin in en spontaan ontspande ik. Helemaal. Ik zag het absoluut zitten om met hem dit avontuur aan te gaan. Hij maakte grapjes, vrolijkte me op zonder dat hij daar mee bezig was.
Toen we naar onze gate moesten waren mijn moeder en co. nog steeds niet aangekomen. Ik belde. Ze gingen net parkeren.
Pas op het allerlaatste moment kwamen ze aangerend. Mijn moeder was hevig geemotioneerd. De stress zal meegespeeld hebben. We vonden nog tijd om op de foto te gaan. Iedereen gaf me dikke knuffels en lieve kussen. Mijn lief en ik namen apart afscheid.

Ik sla even de vlucht over. Of nee, ik wil nog een ding melden.
Mijn vader sprak zijn wens uit om tijdens ons verblijf om elkaar beter te leren kennen. Een cadeau.

Toen we in Istanbul waren geland werden we door het vliegveld meegevoerd naar een ruimte waar we onze ihram aan konden doen. Dat waren die twee witte lappen stof waar ik het zojuist over had. Je slaat een doek om je onderlijf (stevig vastmaken met een riem) en het andere om je bovenlijf. Verder draag je niets. Geen ondergoed, geen sokken, juwelen, kortom: niets dat duidt op een status gebaseerd op rijkdom, afkomst etc. Iedereen draagt hetzelfde en iedereen is gelijk aan elkaar. Verder mag je niet je nagels en je haren knippen, je mag je niet scheren, niet vloeken, geen ruzie maken, geen levende wezens doden of gewassen die groen zijn (dus leven) uit de grond trekken, geen geslachtsgemeenschap hebben of zelfs gesprekken die daarover gaan of daartoe kunnen leiden. Daarvoor ga je niet op bedevaart en is de staat waarin je bent te gewijd.

Na een vlucht van drie uur landden we in Jeddah (aan de Rode Zee) en werden we met busjes naar Mekka gereden. We checkten ’s ochtends rond 8 uur in in ons hotel.
Daar zijn we nog steeds. Volgens onze groepsimam (Mehmet, een jonge vent van mijn leeftijd, ook zijn eerste keer, toffe kerel) blijven we hier tot de 22e.

Tot die tijd zal ik dagelijks een bericht plaatsen. En voorlopig houd ik het hier bij. Mijn internetteller staat op bijna nul. En de rij achter mij is lang.
Morgen:
Mijn eerste keer bij de Kaaba.

Veel groeten
Assalaamaleikum

Sadettin

11.11.2010
Mekka 2

Donderdagavond worden we in de lobby van het hotel verwacht. In bussen zullen we dan naar de Mescid al Haram rijden: de Grote Moskee waar de Kaaba staat.
Rond 21u is het zo ver. We stappen in een oude stadsbus die voor deze gelegenheid is gehuurd (overigens is alles oud hier. En smerig. Wat dat betreft doet Mekka niet onder voor een willekeurige stad in een willekeurig derdewereldland) en al gauw is er geen plek meer. We staan als haringen in een ton en langzaam rijdt de bus weg. De imams heffen een gebed aan; wij doen allemaal mee. Ik kan mijn vader niet zien, hij staat ergens voorin de bus. Naast mij zit een oudere dame te huilen van geluk. Een mannelijike pelgrim vraagt aan mij of het mijn eerste keer is. Als ik zeg dat dat zo is, antwoordt hij: Maasallah! wat letterlijk “Wat God wil” betekent. Ik merk sowieso dat er veel jonge pelgrims zijn uit Nederland en dat alle andere pelgrims (ook die ik later zal tegenkomen: de Pakistanen, de Indonesiërs, de Nigerianen, de Egyptenaren, kortom iedereen) het geweldig vinden dat ik op deze jonge leeftijd al de Hac verricht.

Na twintig minuten doemen de minaretten van de Grote Moskee voor ons op. Mijn hart begint sneller te kloppen, er verschijnt een glimlach op mijn gezicht en ik krijg kippenvel.
Nadat we uitgestapt zijn houdt een van de imams een preek. Ik kan hem niet verstaan omdat de groep zo groot is en hij niet hard genoeg praat.

En dan beginnen we in de richting van de ingang te lopen. Mijn vader en ik arm in arm, voorop. Ik ben immers een jongeman en onze groepsimam vindt het een goed idee dat ik vooraan loop en een lampje in de lucht houd zodat onze groep bij elkaar kan blijven. Ik voel me vereerd. De wandeling duurt tien minuten. Het complex is enorm. Ik probeer de hele tijd iets van de Kaaba op te vangen, maar het lukt niet. Ik voel dat hij daar ergens staat, achter die enorme muren; buiten bidden pelgrims in de richting van waar ik vermoed dat hij staat, maar het zicht wordt ons ontnomen door de enorme muren. Het is een waanzinnige ervaring. Zo spannend.
Pas op het aller aller allerlaatste moment (de Arabische architecten hebben dat goed gedaan, die spanning zo op weten te bouwen), wanneer ik mijn slippers uittrek en mijn lampje is afgepakt door een bewaker (verboden; ik pak een boekje dat ik omhoog zal houden) en de eerste galerij binnenstap zie ik, te midden van een zee van in het wit gestoken pelgrims de Kaaba.
Het is machtig. Mijn mond valt open. En ik zweer het u: ik denk helemaal niets meer. Ik ben alleen maar verbaasd. Natuurlijk, ik ken de Kaaba van foto’s, van videobeelden, ik weet hoe het er uit ziet. Maar ik ben zo overdonderd, zo totaal van slag. Alle vrouwen in onze groep barsten in tranen uit. Achteraf bedenk ik me dat ze elkaar aansteken. Mijn moeder vertelde me dat je, zodra je de Kaaba ziet, Allah moet bidden om iets, maakt niet uit wat en dat hij je smeekbede zal verhoren. Als ik weer kan denken open ik mijn handen in gebed en ik bid. Ik zeg niet om wat. We wachten netjes af of en wanneer het waarheid zal blijken te zijn.

Overal zijn mensen; mannen en vrouwen van alle leeftijden lopen door elkaar, zitten op de grond te bidden, liggen te slapen op hun gebedskleedjes. Je moet over mensen heen stappen om vooruit te komen. De extase spat er van af. Ik geef me over en stamel het ene na het andere gebed: in het arabisch, turks, nederlands. De imam leidt een groepsgebed, wij herhalen zijn woorden: eerst in het Arabisch, vervolgens in het Turks. Dat valt me sowieso goed mee trouwens. Er is op die manier niets dat onduidelijk blijft.

En dan beginnen we aan de tawaaf. Zeven maal rond de Kaaba, tegen de klok in, in de maalstroom van mensen, al biddend, lachend, huilend (de eerste keer hou ik de ogen droog. Pas de tweede avond zal ik huilen, maar dat komt later). We stappen een paar trappen af en komen op de marmeren vloer waar de Kaaba staat. Je moet je bedenken dat die Grote Moskee even groot is als het Stadion Camp Nou in Barcelona. Op alle verdiepingen kun je rond de Kaaba lopen, en op de benedenverdieping is het bomvol. Voor wie wel eens bij een metalconcert is geweest: een enorme mosh-pit waar duizenden tegelijk dezelfde kant op bewegen.
Mijn vader en ik slaan de armen in elkaar. Achter mij pakt iemand mijn schouder beet. De imam begint met het eerste gebed. Wij herhalen. Ik ben eerst wat terughoudend. Dan laat ik alle schroom varen en luidkeels brul ik mee: BismillahiAllahuakbar! La ilahe illallah!
In naam van God, God is groot! Er is geen God dan God!
Elke ronde die we lopen komen we dichterbij de Kaaba. Ik kan het nog steeds niet geloven: dat gebouw staat daar, links van me, ik kijk er naar, een perfecte zwarte kubus waar pelgrims zich tegenaan drukken, ze werpen zich er letterlijk tegenaan, van links en rechts wordt er tegen me aan geduwd: niet omdat men ongeduldig is, maar omdat het zo vreselijk druk is. Je kunt geen kant op, alleen maar door door doorlopen. Onze groep is te groot en er zijn te veel ouderen bij om helemaal tot bij de Kaaba te raken. Die avond kom ik niet dichterbij dan twintig meter.

Dan, na ongeveer een uur, hebben we onze zeven rondes gelopen en begeven we ons naar de rand van de mensenmassa. Om de ommegang af te maken moet er een laatste gebed verricht worden. Bij een normaal gebed kijk je recht voor je op de grond. Je staat gericht naar de Kaaba en sluit jezelf af voor je omgeving. Nu sta ik recht voor de Kaaba. Je kijkt dus niet meer naar de grond, maar naar het gebouw recht voor je neus. Dit overdondert me wederom: bij het staan zie ik het gebouw, bij het voorover buigen, bij het zitten. Ik vergeet totaal welke gebeden ik moet reciteren. Om mij heen staan andere haci’s op een lijn die een perfecte cirkel om de Kaaba vormt en vlak voor ik me herinner welke gebeden ik moet reciteren denk ik:

‘Shit. Ik ben er. Ik ben er echt.’

Wanneer ik klaar ben vind ik mijn vader. Ik val hem in de armen en we kussen en feliciteren elkaar met het vervolmaken van dit eerste onderdeel. Nog een paar mooie woorden van een van de imams: ‘Dat gevoel, de rillingen over uw rug, de haren op uw arm die rijzen, de tranen in uw ogen en de brokken in jullie kelen: het zijn engelen die u kussen!’ Er staat ons nog meer te wachten.

Daarover: Later.

Groet Selam

Sadettin

 

13.11.2010
Mekka 3

Als we terug zijn in ons hotel mogen we onze ihrams uit. Ik scheer mijn vaders’ hoofd met zijn tondeuse. Hij “returns the favor.”

Vanaf dan is het een kwestie van elke dag routineus naar de Kaaba gaan, rondjes lopen en proberen in een meditatieve sfeer te komen. Op zich is dat geen probleem. Zodra je voet binnen het complex zet word je omringd door prevelende pelgrims, het geluid komt van alle kanten en dringt door tot in je porien.

Ik deel tijdens het middaggebed die vrijdag mijn gebedskleedje met een pelgrim uit Pakistan. Ik heb net wat ingesproken op mijn voicerecorder (een VPRO radiomaker heeft me die meegegeven) en steek die weg als we in een lang gesprek terecht komen. Hij ziet het niet zitten om zich op te laten nemen; zijn engels is vlekkeloos en ik heb interessante dingen van hem gehoord. Dit is fijn, denk ik bij mezelf, ik ben vertrokken. Want laten we wel zijn: in mijn kinderjaren is er een zaadje in mijn lijf geplant: de Kaaba moet je bezocht hebben; de Hac verricht. Maar als ik niet een voorstelling had willen maken over deze bedevaart die ik met mijn vader verricht had ik deze tocht niet op deze jonge leeftijd gemaakt.
Ik weet niet wat eerder kwam. Het idee om de voorstelling te maken of de wens om de Hac te verrichten. Het is zoals de kip en het ei. Ik ben er nog niet over uit. Maar dit betekent dat ik ook momenten heb dat ik observeer, rondkijk en luister. Natuurlijk, ik ga er vol voor, dompel me onder in het ritueel en op die momenten schakel ik elke objectiviteit uit. Probleemloos. Ik verwonder me over hoeveel verschillende soorten moslims er zijn. Van over de hele wereld. Niet alleen de typische moslimlanden zijn vertegenwoordigd, ook uit westerse landen lopen pelgrims rond. Ik sta te bidden tussen mannen EN vrouwen die allemaal net iets anders bidden, net iets anders hun handen op hun buik of borst vouwen, net iets anders buigen.
Maar op de momenten dat ik, bijvoorbeeld, voor ons hotel in de brandende zon (het loopt hier tegen de 40 graden) een kop thee drink en notities maak in m’n moleskine boekje, laat ik de film van de afgelopen dagen voor mijn geestesoog afdraaien en het is niet anders dan dat ik mijn oordeel er over laat klinken. Zo ben ik er, overigens samen met mijn vader en ook met de groepsimam, achter gekomen dat zelfs zo’n heilige reis als deze bemoeilijkt wordt door de mensen. Niet alleen door het ritueel.

Geduld is de helft van de hac, placht men de zeggen. Dat geduld wordt hier vreselijk op de proef gesteld. Hoe vroom we ons ook gedragen tijdens de tavaf of het gebed, in de rij voor de lift, het eten of de bus is het ouderwets ellebogenwerk. Het is ontzettend moeilijk om je je daar niet aan te ergeren. Ik kan aan de ene kant overrompeld worden door het feit dat ik vrijdagavond met mijn handen tegen de Kaaba sta en omhoog kijk naar dat gebouw waar 2 miljard moslims over de hele wereld zich naartoe wenden tijdens hun gebed (hier kwamen tranen bij kijken). Maar ik kom ook niet onder het idee uit dat er pelgrims zijn die hier zijn omdat ze het idee hebben dat ze moeten. Goed: je moet. Maar alleen als je kan: zowel geestelijk, lichamelijk als in materiele zin.

Als ik kijk naar de pelgrims in ons hotel (1900 mensen) zie ik vooral heel veel vrome vrouwen, diepgelovig, zwaarlijvig en op momenten ronduit onbeschoft en hun mannen die mee zijn omdat hun vrouwen nu eenmaal op het idee kwamen om te gaan. Dat is onaardig van me misschien, maar ik heb me voorgenomen om alles hier zo eerlijk mogelijk neer te tikken. Ik ben niet van plan mijn ergernissen hier te ventileren, wederom: geduld is de helft van Hac, maar ik herinner u graag aan wat Mevlana zei: ‘Om de hac te verrichten moet men de Kaaba in het hart hebben, anders loopt men rond een bakstenen huis dat ooit dienst deed als afgodentempel.’

Voor haci’s die al op de heilige plaatsen zijn geweest klinkt dit niet vreemd: pelgrims die van de Kaaba naar het hotel terugkomen en vervolgens aan iedereen laten weten dat ze wel 21 rondjes hebben gelopen. Maar wie niet weet wat er achter die ommegang steekt, wie niet denkt aan het ronddraaien van de planeten en de sterren en dat wij ons bevinden in het hart van de islam (en daarmee, volgens de leer, de wereld) loopt voor niets rond. Dat is hard wat ik zeg. Maar ik citeer wederom onze groepsimam. ‘De hac is een theaterstuk dat je tot leven moet wekken.’ zei hij onlangs tijdens de busrit naar ons hotel. Daarvoor zijn we hier. Om te ‘voelen’ hoe Ibrahim (Abraham) zich verzette tegen de duivel die hem tegenhield omdat Allah hem had opgedragen zijn zoon Ismael (Isaak in de bijbel) te offeren. Dat er vervolgens stenen naar een zuil worden gegooid die de duivel vebeeldt kun je letterlijk nemen: ‘Daar staat de duivel.’ Maar je kunt ook stilstaan bij de kracht van die symbolische handeling. Je werpt de zonde, de slechte eigenschappen, dat waar je spijt van hebt, van je af. Ik ga voor dat laatste. Als ik ’s nachts om 1 uur nog even snel voor het slapen gaan een sigaret wil roken en buiten naast een jong turks echtpaar dat op een radio koranverzen luistert sta (hij met lange baard en fez, zij in niqaab) denk ik: dit is me te letterlijk, ik herken me hier niet in. Ik wil niet mezelf beter voordoen, of zeggen dat ik het allemaal beter begrijp: sterker nog, ik begrijp dat ik niet begrijp!

Vergeef me de warrigheid beste lezer, maar er komt zoveel op me af deze dagen. Zoveel mooie dingen, zoveel lelijke dingen. De imam van de moskee in Kolderbos (Genk) zei tegen me na die presentatie in september vorig jaar: ‘Je gaat twee reizen maken: een lichamelijke reis waarin je de afstanden van hier naar daar aflegt. En een geestelijke: die afstanden zijn onbepaald en kunnen je overal heen voeren.’ Ik snap nu waar hij het over had en ben benieuwd naar waar het eindpunt van die laatste reis is.

Morgen begint het zwaarste gedeelte van de hac. We gaan naar de berg Arafat, vervolgens naar Muzdalifah en Mina en dan de duivel stenigen. Dan zijn we echte haci’s. Tot die tijd: radiostilte.

Assalaamaleikum, vrede zij met u, veel groeten en tot later!

Sadettin

 

17.11.2010
Naar Arafat en terug

Ik ben kapot.
Ka
Pot.

De afgelopen 48 uur waren vreselijk vermoeiend.
Maar zo de moeite waard.
Ik ben op de vlakte van Arafat geweest, heb steentjes geraapt in Muzdalifah, ben naar Mina gelopen en heb de duivel gestenigd.
Tussendoor dacht ik dat ik dood zou gaan en ik heb mezelf laten fotograferen op een kameel. Terwijl ik de fotograaf filmde.

Zondag rond 17u vertrokken we in bussen naar Arafat. Daar staat een van de grootste tentenkampen ter wereld: elk land zijn eigen tentenkamp. De bedoeling is dat je een nacht al biddend, peinzend, mediterend doorbrengt. Arafat is afgeleid van het woord: kennen.
Onze imam (wederom die Mehmet, hij is echt supergoed: citeert om de haverklap Mevlana en ik ben dol op Mevlana) legde me uit:
‘Kijk, als ik aan je vraag hoe het met je is, dan is je standaard antwoord waarschijnlijk: ja wel goed, druk, werken, etcetera.
Maar hier moet je stoppen, wachten, nadenken over wie je bent en wat je doet. Want of jij er nu bent of niet, de wereld draait toch wel door. Want in het kosmische verband zijn wij niets, onbelangrijk, wij stellen niets voor. En daarom is dit de uitgelezen plek om daar eens goed over na te denken.’

Hoe dat er praktisch uit ziet?
Duizenden tenten. Met smalle paadjes er tussen en gevuld met pelgrims. Het Turkse terrein telde 140.000 pelgrims.
Dat is een stad ter grootte van Maastricht.
Maar dan met tenten in een zanderige, bijna woestijnachtige omgeving.
Wij sliepen met ongeveer 60 man in een tent, maar van slapen was weinig sprake.
Ten eerste: ik was de enige die niet snurkte.
Serieus.
Ten tweede: het was te heet om te slapen.
Ten derde: de muggen.
Nu kun je voor dat derde allerlei oplossingen verzinnen, bijvoorbeeld een muggenzalfje, maar:
we waren in Ihram (de gewijde staat, waarin allerlei verboden gelden, zoals het doden van dieren. Dus ook muggen.)
Het was alsof de duivel er mee speelde.

Na een korte nacht (toch nog een uurtje kunnen tukken en badend in het zweet wakker geworden) ging ik richting toiletten om mezelf op te frissen en mezelf te wassen voor het ochtendgebed. Je moet weten dat het leven in Saudi Arabie ook tijdens de Hac draait rond de vijfmaal daagse gebeden. Ik had nog twintig minuten en kwam in een lange rij te staan.
De toiletten waren ronduit belachelijk smerig. Quelle horreur! En dan sta je stil bij hoe slecht de Saudi’s het eigenlijk geregeld hebben. Voor een land met zoveel olie, zoveel rijkdom, zijn ze wel erg slecht uitgerust. Een infrastructuur van niks, nul, nada. Publieke werken: de vuilnisdienst bestaat uit slechtbetaalde Bengalen en Sudanezen die onderbetaald zijn (lees: niet betaald, ze leven van fooien). Ik had hier een gesprek met een haci over en die zei om me op te beuren:
Ach, als de heilige steden in Frankrijk of Nederland waren geweest dan was het niet alleen vies, maar ook heet, koud, nat of winderig geweest. Hier is het alleen heet en vies. Allah weet wat hij doet!

Na het ochtendgebed, rond 06.00u, werd er een ontbijt uitgedeeld en hadden we tijd voor onszelf. Het beviel me uitstekend. Ik had de afgelopen nacht al geprobeerd om mezelf af te sluiten, tot mezelf te komen en daadwerkelijk na te denken over waar ik nu sta in het leven. Ik ben 28, ongehuwd, leef gelukkig samen, heb een super grote familie en vriendengroep, word omringd door alleen maar mensen die mij liefhebben en die ik liefheb, kortom: ik mag absoluut niet klagen. Maar wanneer ik verder denk kom ik toch bij een aantal fundamentele levensvragen. Ik zal ze bewaren voor de voorstelling.
Ronduit gezegd, ik heb bij Arafat een goede poging gedaan mezelf te kennen. Ja.

Om 09u begon het programma dat de Islamitische Stichting Turkije (want daar vallen wij ook onder) had voorbereid. Vanuit luidsprekers klonken preken (inhoudelijk zeer sterk) koranverzen (ik versta natuurlijk niet alles, maar ik raakte wel op een aantal momenten in ‘vervoering’ door de manier van reciteren; je kent het wel, melodieus kan het waanzinnig zijn) en verschillende kasides en ilahis (religieuze gezangen in het Turks). Die laatste waren wederom van zeer hoge vocale kwaliteit. Heb een aantal audio opnames kunnen maken.
Na het middaggebed was het moment voor het Vakifgebed aangebroken. Vakif betekent ongeveer zoveel als: staan en wachten.
Ik verwijs weer naar de woorden van imam Mehmet:

sta stil, wacht en ken uzelf.

Het gebed werd voorgegaan door, aan zijn stem te horen, een oude man. Het was prachtig. Ik kan me niet alles letterlijk voor de geest halen, maar een aantal woorden die zo voorbij komen zijn: ‘U bent hier niet voor niets, een stem in uw binnenste heeft u geroepen en u bent gekomen als gasten van God.’
Het hele gebed duurde een half uur. We stonden met onze handen opengevouwen in gebed, 140.000, nee miljoenen pelgrims, ieder in zijn eigen tent op zijn eigen terrein en we baden om vergiffenis, zegeningen voor onzelf, onze vrienden, onze families.

Ik stond naast mijn vader. Op zeker moment barstte hij in tranen uit.
Vrienden. Het was zo diep ontroerend. Ik heb die man nog nooit zien huilen en nu stroomden de tranen over zijn wangen, ik hoorde hem snikken en ik kon hem niet troosten. Het was zijn moment, zijn gebed.
Ik deed alsof ik het niet zag, concentreerde me op weer op het gebed, hoorde de woorden, sloot mijn ogen en werd me bewust van het feit dat er nu met zijn allen een gebed richting Allah opsteeg en we hierna zo zuiver als ‘Kinderen uit hun moeders’ schoot’ verder zouden leven. Ik dacht aan mijn lief, aan mijn moeder, aan mijn zus, mijn broer en zijn gezin, aan iedereen, ja ook aan jou en ik dacht ‘ik bid! ik bid voor iedereen die ik ken en die ik ga kennen!’

Ach ja. Ik raakte mezelf kwijt. En dat is precies de bedoeling.
Want dan kan ik mezelf ook weer (her)vinden.
Toch?

Aan het eind van dit gebed feliciteerde iedereen elkaar: alle pelgrims op ons terrein!
Waanzinnig!
We waren haci’s.
En wat toen volgde was een opeenstapeling van wachten, stress, doodsangsten en paniek.

Het duurde uren tot onze bussen er waren.
Er was geen water meer.
Het was verschrikkelijk heet.

Toen de bussen er eenmaal waren, bleken ze te klein.

Na ik weet niet hoe lang kwamen we bij Muzdalifah. Ook daar werd er gebeden en daarna konden we stenen verzamelen om duivel mee te stenigen. Niet kleiner dan een kikkererwt en niet groter dan een hazelnoot moeten die steentjes zijn.
Het terrein waar we dit deden was speciaal voor de Turkse pelgrims. Afgebakend met hekken. Naast het terrein liep een drukke weg waar een enorme file stond. Bussen vol met pelgrims reden stapvoets voorbij.
Toen iedereen eenmaal zijn stenen had verzameld (rond de 50) ging het te voet naar Mina.
En toen dacht ik dat ik dood ging.

We raakten in de verdrukking. Meerdere groepen moesten door een poort ter breedde van vier meter. En er moesten ook nog bussen langs.
Wat een chaos. Wat een kutzooi! (ik mag vloeken,ik ben niet meer in ihram! sorry!)
Het begon met een aantal vrouwen die flauwvielen, we stonden zo dicht op elkaar gepakt, het was zo heet en er was zo geen water! Op zeker moment werd er geroepen: ‘Maak ruimte, maak ruimte, er sterft hier iemand!’
Pelgrims begonnen onderling ruzie te maken, er werd geroepen, gescholden, geduwd. Saudische veiligheidsmedewerkers werden omver gelopen, ik raakte iedereen kwijt, mijn vader, mijn groep. Ik werd voortgeduwd door onbekende pelgrims, op een gegeven moment raakte ik met mijn voeten de grond niet meer, kreeg geen adem, raakte in paniek, riep in het Turks: ‘Neeneenee! Niet doen stopstopstop!’ daarna in het Nederlands tegen mezelf: ‘Ooooneeeeeee!’ en ik ben een jonge vent van 28.
Er liepen daar bejaarden rond.
Ik kwam uiteindelijk door die poort. Ik weet niet meer hoe, stapte met mijn voet in iets weeks en warms en dacht ‘fuck it ik ben hier weg!’ en liep door, zo snel mogelijk.
Verderop kwam ik een paar haci’s uit onze groep tegen. Ze waren bekaf.
We zochten water, vonden niks en dachten na over wat te doen.
Uiteindelijk kwamen er twee imams van andere Nederlandse groepen bij ons en namen ons op sleeptouw.
Ik was met hen de enige jongeman, de rest bestond uit bejaarden.

De tocht duurde 4 uur.
Ik gooide zeven stenen naar de duivel, kon me op tijd concentreren op dat waar ik afstand van wilde nemen, schoot in de lach door hoe iemand achter mij de duivel uitschold, liep vervolgens nog een uur door, haalde intussen zoveel mogelijk water voor iedereen, nam twee bejaarden onder mijn hoede en ging om een uur of 8 naar bed. Ik was doodop, vreselijk, ik kon wel janken, maar toch was ik absoluut voldaan.
Wat een ervaring. Wat een avontuur.

Intussen ben ik wat bijgekomen.
Het is Offerfeest, het schaap dat ik heb gekocht is geslacht.
Straks gaan we naar de Kaaba voor nog een ommegang.
Ik heb geen tijd meer om wat ik heb geschreven na te lezen, morgen post ik iets ‘netters’.

Veel groeten
assalaamaleikum

Sadettin

18.11.2010
Mekka 4

Ik heb vandaag tot 13u30 geslapen.
Het was nodig.
De tocht van Arafat naar Muzdalifah en van daar naar Mina heeft me zwaar vermoeid.
Achteraf vind ik het zo jammer dat ik tijdens die wandeltocht te veel bezig was met het feit dat onze groep uit elkaar was gevallen, dat ik mijn vader niet kon vinden, dat er geen water was en de spanning bij de haci’s onderling speelde ook mij parten. Echt spijtig.

Gisteravond rond 23u zijn we met onze groep (ongeveer 200 pelgrims) naar de Kaaba gegaan om het hac gedeelte van de bedevaart af te ronden. De avond werd rond 4u ’s nachts afgesloten met een groepsgebed, felicitaties en groepsfoto’s.
Ik kreeg een sereen gevoel, keek daarna nog een minuut of tien naar de mensenstroom rond de Kaaba.

Hierna rest ons nog tweemaal de duivel stenigen en tot de 22e rusten. En nog een afscheidstavaf.
Ik wil eigenlijk niet weg, hoewel ik ook bezig ben met ‘nog 14 dagen, dan ga ik terug en zie ik iedereen!’

Ik ben van plan een feestje te geven.

De stad is een puinhoop, Mekka kan de stroom pelgrims absoluut niet aan. De stad is gewoonweg te klein.
Overal ligt vuilnis, pelgrims slapen in hun vuile kleren op de straat, hier en daar is de lucht niet te harden. Zo vuil. Overal auto’s en bussen, constant getoeter en sirenes, ik draag bijna de hele tijd mijn stofmasker.
Maar het is niet voor niets.
Ik ben haci!
Woohoo!
En ik ben gelukkig niet ziek.
Ik zat vandaag in de gebedsruimte van ons hotel; dat zit sinds een week bomvol, en ik telde het aantal hoesten.
Meer dan twee per seconde.
Het zijn een soort mitrailleursalvo’s. En ze klinken best eng.
Je hebt de droge hoestjes: die zijn voorzichtig en zacht en beloven niet veel goeds.
En je hebt de diepe, natte, ranzige rochels. Die waarvan je weet dat er ontzettend veel mee naar boven komt.
Smerig.
Sorry.

Bijna iedereen hier wordt ziek. De combinatie van airco in het hotel en hitte buiten zorgt daar voor, maar ook de grote aantallen pelgrims uit de hele wereld (181 landen zijn vertegenwoordigd: eergisteren kwam ik pelgrims uit Brazilie tegen en ik maakte een lange neus naar ze ivm de door Nederland gewonnen WK-kwartfinale van de afgelopen zomer).
Nog twee weken de ziekte buiten de deur houden. Veel vitamines, dagelijks minimaal 3 porties fruit, veel water en dat masker ophouden, hoe belachelijk ik er ook uit zie…

Met mijn vader ben ik intussen dikke vrienden geworden.
Wat een leuke man is dat toch eigenlijk.
Een beetje een kort lontje soms, maar dat is geen probleem, gezien ik het van mezelf herken.
Voor wie ik wel eens een spontane uitbrander heb gegeven: ik heb het van mijn vader!!

Gisteravond was overigens een erg goede avond. Samen met mijn vader liep ik de tavaf op de bovenste verdieping. Het was erg druk, maar ondanks dat hadden we een rustige ommegang. We liepen rustig rond, ik las voor uit ons gebedenboekje, mijn vader deed met me mee. Verder spraken we niet veel, alsof we er bij stil stonden dat onze tijd hier er bijna op zit. De 22e gaan we naar Medina. Tot die tijd vullen we onze dagen met gesprekken (we hebben het over van alles en volgen vanaf hier ook het nieuws uit Nederland), slapen, bidden, rondwandelen en ook mijn vader doet mee aan mijn observaties.
Medina belooft veel goeds.
Ik kwam haci’s tegen die er al waren geweest en ze vertelden me dat Medina schoon, koel, netjes is.
Het graf van de profeet is daar en ook de Moskee van de profeet staat in die stad. Men zegt dat een gebed daar binnen 1000 maal telt.
Ik ga er voor.

Tot die tijd schakel ik voorzichtig over van dagboekfragmenten naar beschouwelijke stukken.
Ik ben zelf alvast benieuwd!

Heel veel groeten
Assalaamaleikum

Sadettin

 

21.11.2010
Mekka: het afscheid nadert

Mijn bioritme is naar de maan.
Het is op dit moment 16u34, twee uur later dan bij jullie en ik heb zojuist ontbeten.
Hoe dat komt?
Wel, het ritme van de dagen wordt bepaald door een combinatie van gebedstijden, de zon en op welk moment je afhankelijk van die eerste twee de tavaf rond de Kaaba wil maken. Dat is meestal na zonsondergang en het liefst rond middernacht. Ik heb voor mezelf als meest gunstige het volgende gevonden: 1u vertrek vanuit het hotel (dat kan te voet of met een shuttlebusje), een half uur later aankomen bij de Mescid al Haram, een kwartier naar de Kaaba kijken en bidden en dan beginnen met lopen.
Rond 3u30 ben ik dan klaar en zoek ik een rustig plekje en wacht tot het ochtendgebed. Dan keer ik rond 6u terug naar het hotel, pak ik een warme douche en duik ik mijn bed in.
Dus: goeiemorgen!

Ik vond onlangs een pc waar Skype op was geinstalleerd en sprak mijn lief een uur lang. Het was fijn maar tegelijkertijd ook bitter om elkaar zo te zien: plots erg dichtbij, maar toch heel ver van elkaar. We kwamen op dat bidden uit.
Je moet je het volgende voorstellen:

De Kaaba staat in het middelpunt van de (Islamitische) wereld. Ongeveer 2 miljard moslims (een ruime schatting, maar vooruit…) buigen zich, afhankelijk van het tijdstip, naar dat middelpunt en mocht je dat vanuit de ruimte zien, dan ziet dat er uit als, door al die verschillende tijdzones, een enorme golvende beweging die over de aarde trekt.
Die goddelijke, kosmische, magnetische of ik weet niet welke soorten energie je nog meer kan bedenken, die je op het moment dat je daadwerkelijk bij de Kaaba staat, is gewoonweg niet te beschrijven. Die bundeling van geloof is voor mij genoeg om alle twijfel overboord te gooien en te bidden. Ik denk dat als je ergens gaat geloven, het wel hier is. Daar schaam ik me niet voor. Ik kom uit een moslimfamilie en ik heb, naast de periode van afkeer en afstand, altijd een zwak voor spiritualiteit en mystiek gehad. Het is niet moeilijk om dat gevoel te omarmen.
Gisteren was het wederom zo ver.

Ik kwam alleen aan bij de Kaaba. Mijn vader lag met rugpijn op bed en ik maakte van de gelegenheid gebruik om er in mijn eentje op uit te gaan. Het was wederom erg druk, niet zo druk als de afgelopen dagen: na het Offerfeest zijn veel pelgrims vertrokken naar Medina of naar hun woonplaatsen. Een paar familieleden hadden me gevraagd de Kaaba namens hen te ‘groeten’ en ik nam uitgebreid de tijd om de boodschap over te brengen.
Vervolgens liep ik mijn zeven rondjes, op de bovenste verdieping, zo veel mogelijk aan de buitenkant van de stroom pelgrims blijvend en de tijd op die manier rekkend. Ik raakte bij vlagen erg geemotioneerd. Tegelijkertijd registreerde ik die gevoelens, dacht: ‘waarom voel ik dit nu allemaal?’ en nam het advies van een andere vriend ter harte. Ik schakelde dat derde oog uit en concentreerde me op de gebeden in mijn boekje en liet het gevoel door me heen stromen.
Ach.

Moet ik doorgaan over wat ik voor mezelf besloot?
Over dat de woorden ‘La ilahe illallah.’ (Nee er is geen God dan God) volgens mij echt kloppen?
Ik kan niet bewijzen dat God bestaat, natuurlijk, maar als hij IS, dan is hij volgens mij ook de enige.
Zo dacht ik terwijl ik rondliep,
lachtte achteraf om mezelf,
maar dat gevoel dat mij bij vlagen overmeestert komt niet nergens vandaan.
Toch?
Ik herhaal:
Ik denk dat als je ergens gaat geloven, het wel hier is.
Vrees niet. Ik laat geen baard staan en vreemde vrouwen schud ik nog altijd de hand.
Het komt vast door de lucht die hier hangt.

Ik lees even na wat ik heb geschreven en heb intussen ook een titel toegevoegd.
Het is het naderende afscheid dat ik voel.
het is ongelooflijk, maar ik heb me laten inpakken!
Ja, ik geef toe. Ik ga het hier missen.
Maar ik vergeet een paar belangrijke dingen.

Toen ik boven klaar was met mijn tavaf dacht ik:
kom, ik doe er beneden nog eentje.
Ik kwam beneden aan en werd meteen onder zowat onder de voet gelopen door een groep Ghanese haci’s die linea recta naar de Hacerul Esved liepen. Dat is de Zwarte Steen. Elke pelgrim probeert die te kussen en wie dat niet lukt, zwaait er naar of werpt kushandjes. Ik ook.

Vervolgens kwamen er vijf Pakistaanse pelgrims voorbij en ik dacht: Het is nu of nooit!
Ik greep een van hen bij de arm, hij draaide zich naar mij om en ik zei in het Engels: ‘I’m coming with you haci!’

En zo,
na veel geduw en getrek, een knie in mijn onderrug, klampte ik mij tussen Indonesiers, Ghanezen, Pakistanen en Iraniers, allen tranen van geluk plengend, vast aan de gouden poort en plantte, naar het voorbeeld van de profeet,
een kus op de heilige steen
en gaf ik mij na een oprechte juichkreet over aan de stroom pelgrims die mij als vanzelf naar de rand van het gedruis voerde.
Ik was high van de opwinding.

Maar dit is nog niet het einde.
ik kwam om 04.00u terug in het hotel, sliep een half uur en stapte daarna met een kleine groep in een bus naar de berg Hira.
Het is in een grot in deze berg dat Muhammed zijn allereerste openbaringen kreeg.
Koran betekent letterlijk: voordracht.
De eerste openbaring die neerdaalde begint met:
‘Iqra!’, ‘Lees!’

We kwamen aan in het donker. Het was wederom ontzettend druk. Ik denk dat de klim een kilometer was. In de bergwand was een trap uitgehouwen die krioelde van haci’s die omhoog of omlaag liepen.
Terwijl ik zo omhoog liep begon het licht te worden. Het schoot niet op. De meeste pelgrims waren oud of, wederom, zwaarlijvig, en het tempo lag vreselijk laag.
En ik dacht: ‘Ik probeer het anders!’

Ik klom over de balustrade en begon over de rotsen te klauteren. Achter me riepen haci’s dat ik terug moest komen, maar ik negeerde hun kreten. Kom nou. Klimmen kan ik echt wel.
Ik bond mijn rugzak steviger vast en klom klom klom klauterde ik was een berggeit die iedereen inhaalde, naar de top en ik dacht: ‘Zo is Muhammed ook omhoog geklommen!’, kreeg energie van die gedachte en stond binnen no time boven.
Ik keek uit over de Mekka, de grot heb ik niet gezien, het was er te druk, maar toen ik ging zitten filmde ik de zonsopgang en zakte mijn hartslag naar een normaal ritme.

Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat ik een rijke fantasie heb:
het was daarom niet moeilijk me voor te stellen hoe ruim 1400 jaar geleden een man op dezelfde manier omhoog was geklommen, zonder zaklamp, tussen de wilde beesten, en hier op diezelfde berg had gezeten. Wachtend op en zoekend naar antwoorden.
Zoals ik hier nu ook zat.
Ik werd omringd door honderden pelgrims die zich verdrongen om iets van die grot waar hij had gezeten te kunnen zien. Hij was alleen en zat hier vaak dagen achter elkaar, vastend, slapeloos.
(Ik vertelde hier later over aan mijn vader. Hij zei: ‘Ja. En dan moet je je voorstellen dat plotseling de engel Gabriel neerdaalt, hem vastgrijpt en gebiedt: ‘LEES!’ Muhammed dacht dat hij krankzinnig was geworden en vluchtte naar zijn huis.)

Terwijl ik hier over zat te denken ging er een Iraanse pelgrim een meter of twee van me af zitten, pakte zijn Koran, sloeg die open, bladerde wat en begon de betreffende soera hardop te lezen.

Laten we even stoppen.
Even wachten, want ik wil wat duidelijk maken:
ik ben een theatermaker. Of anders, een theatermakende acteur. En het is ook zeker een gevoel voor dramatiek en theatraliteit dat mij drijft tot zulke gedachtes als hierboven beschreven.
Op het moment dat die Iraanse pelgrim begint met die soera; op het moment dat ik hem ‘Iqra…’ hoor zeggen gaat er een siddering door me heen en denk ik ook: dit is zo theatraal.
Ik had het niet beter kunnen bedenken.
Mijn camera had ik nog in de hand. Ik heb hem tien minuten lang gefilmd.

Ik klauterde na een tijdje weer naar beneden. Nu eens de trap gebruikend, dan weer over de rotsen huppelend.
Beneden werd ik bestormd door een groepje straatkinderen. Ze lieten niet los voor ik ze een paar Riyal had gegeven.
Om 8u ging ik in bed liggen.
Het was een geweldige nacht en ochtend geweest.

Nog 10 dagen.
Dan zit mijn bedevaart er op.
En keer ik terug met een zak aan ervaringen, gesprekken, indrukken en …

Vanavond ga ik met mijn vader de afscheidstavaf verrichten.
Morgen naar Medina.

Veel groeten
Assalaamaleikum

Sadettin

 

24.11.2010
naar Medina

Op 22 november vertrek ik, zoals 1431 jaar ervoor Muhammed ook deed, uit Mekka naar Medina. Hij ging afwisselend te voet en per kameel; ik reis in een gammele bus met krappe stoelen en kleine ventilatoren als airco.
Hij werd achtervolgd door huurmoordenaars en moest zich verschuilen in grotten en deed er dagen over. Het enige dat mij achtervolgt is de volle maan aan de hemel en het gehoest van mijn medepassagiers. Ik verschuil me achter mijn masker en doe uiteindelijk zeven uur over de reis.

Als we uit de bus stappen vallen drie dingen meteen op: Medina is schoon, rustig, maar vooral koud.
Ik loop al weken in dunne kleding en draag mijn havaiana teenslippers. De woestijnkou is genadeloos en binnen twee minuten heb ik spierpijn en trekken de rillingen over mijn rug.

Mijn vader is boos. Ons hotel deugt van geen kanten en, met zijn woorden, het is de zoveelste belofte van de Diyanet (de islamitische stichting nederland) die vals blijkt te zijn. Ons hotel zou naast de Mescid-i Nebevi liggen (moskee van de profeet) maar het is uiteindelijk een wandeling van (slechts) vijf minuten. Maar vooral: onze kamers zijn te krap en het stinkt er. Voor de duidelijkheid: mijn vader en ik delen al die tijd dat we hier zitten onze kamer met drie andere pelgrims.
Een vader en een zoon (toeval) en een oudere haci, die mijn vader en ik onder onze hoede hebben genomen. De hotelbaas heeft kennelijk geen rekening gehouden met onze bagage, van een tweepersoonskamer is een vijfpersoonskamer gemaakt en van een zwanenhals (de s-vormige buis onder een gootsteen: zorgt dat het niet gaat stinken) heeft hij kennelijk niet gehoord.
Een drukke toestand in de lobby dus. Boze turken, haci’s die dreigen dat ze hun geld terugvragen en zelfs een paar die hardop hun beslissing om op bedevaart te gaan betreuren.
Ik hou me koest. Ik ben niet zo heel lang geen student meer en ben wel wat gewend.

Als we ons eenmaal hebben geinstalleerd trekken mijn vader en ik erop uit. Hij moet nog even zijn gal spuwen, ik probeer het even om een relativerende toon aan te slaan en geef het al gauw op.
Hij heeft wel gelijk. Organisatorisch is het een bende. En er gaat veel geld in om. 3000 euro per haci. Dat is geen kattenpis. Het eten deugt niet. Het vervoer… ja… het vervoer…
Laten we zeggen: breek me de bek niet open.

Wat daar tegenover staat is natuurlijk de pelgrimage zelf. Het blijft een waanzinnige ervaring.
Want Medina herbergt het kroonjuweel van deze reis. De moskee, en daarin het graf, van de profeet Muhammed.
Wat een beeldschoon complex, het ziet er van binnen uit als de Mezquita van Cordoba, dezelfde bogen, maar dan groter, grootser, grandiozer en belangrijk: helemaal in gebruik!
Ik schat dat ook hier ruim 250.000 mensen in kunnen en dan heb je nog het plein buiten waar duizenden haci’s hun gebedskleed uitrollen.

Mijn vader en ik vinden binnen een plekje. Het is dan net 4u.
En het is koud. In het midden van de moskee is een soort binnenhof, ik kan het niet goed bekijken, daarvoor is het te druk, maar we zitten op de tocht en ik heb me niet goed ingepakt. Dan maar dicht tegen mijn vader zitten. Hij wijst naar een rijk geornamenteerde muur en zegt: ‘Daar ligt onze Efendi (onze Heer).’

Ruim een uur later klinkt de oproep. Slapende haci’s schrikken wakker, er wordt geschoven en iedereen zoekt een plekje op.
Mannen en vrouwen gescheiden in deze moskeer. Ik weet ook niet waar de ingang voor de dames is. Er wordt ook strenger gecontroleerd op camera’s. Soit.

We bidden het ochtendgebed en zodra we klaar zijn gaat mijn vader er vandoor. Ik er achteraan. We slalommen door de moskee, halen andere haci’s in, stappen over biddende en slapende mensen en komen uiteindelijk in een drukke rij terecht. We komen langs de graven van de profeet en zijn opvolgers Abu Bakr en Omar, en groeten. Het is te druk om stil te staan, bewakers duwen ons vooruit, ‘Yallah haci, yallah!’ en dan staan we buiten.
Ik draai me om en kijk naar de buitenkant van de koepel waar de profeet onder ligt.
Hoe vet is dat, denk ik. Daar is het graf van de Boodschapper! En ik ga de komende zeven dagen, de laatse van mijn hac, elke dag hem een groet brengen!
Kijk, ik vind Jezus, Boeddha, Mozes, Rama ook heel speciaal, dat meen ik oprecht. Maar Boeddha is al zoveel maal gereincarneerd, het graf van Jezus is leeg en Mozes is, naar ik weet, ergens in de Sinai ter aarde besteld.
Ik kan nu uit bed opstaan en naar het graf van Muhammed lopen.

Dat vind ik op zijn minst…
bijzonder.

Snel meer,

groet
assalaamaleikum

Sadettin

ps
getikt op mijn mobiel
stijl en spelfouten? Verschoning!

02.12.2010
Thuiskomst

Ik ben weer thuis. Het sneeuwt. Het vriest.
Ik kan wel janken.

Maar eerst:
Het verslag van de hac afronden.

Zojuist las ik mijn eerdere blogs terug.
Het is interessant om te merken dat ook ik niet ontkom aan het effect van de massa.
Maar ik ben thuis, terug in Amsterdam en de lijnen 1, 2 en 5 rijden hier langs mijn huis: zo word ik elke 8 minuten door de bel van de stadstram herinnerd aan waar ik nu ben en waar ik gisteren was.

Hieronder een blog die ik in Saudi Arabie niet heb kunnen posten, snel meer,

groet

Je hebt hier een aantal verschillende soorten bedelaars.

1 de bendes: dat zijn meestal Sudanese vrouwen die door hun baas (een man) per busje worden afgezet bij moskeeen, markten, hotels etc en dan alle pelgrims die ze tegen het lijf lopen om een aalmoes vragen. Vaak hebben ze een baby, peuter of kleuter bij zich. Die delen ze, zodat het lijkt of ze allemaal een klein kindje hebben. Ik kwam een tijd geleden dezelfde dames twee keer achter elkaar tegen. In de tussentijd hadden ze zich omgekleed en gingen ze een tweede keer hun ronde maken.
Vaak doen ze aan oplichting: ik heb meisjes gezien die hun armen zo in hun mouwen steken dat het lijkt alsof hun armpjes zijn afgehakt.

2 de arme pelgrims: dit zijn haci’s die uit de armere moslimlanden naar Mekka of Medina zijn gekomen en vaak geen geld meer hebben om te eten, overnachten of terug te gaan. Zij zijn meestal de dupe van de eerste categorie.

3 de weduwen en wezen: dit spreekt voor zich

4 de criminelen: dit zijn mannen die een of meerdere malen diefstal hebben gepleegd en niet meer kunnen werken. Waarom? In Saudie Arabië doen ze nog aan ouderwets armpje hakken bij dieven.

5. Gasten die het gewoon proberen en er lol in hebben. I kid you not.

Er zijn ook verschillende soorten pelgrims. Hieronder een paar:

1. De Zuid-Oost Aziatische pelgrims. Dit vind ik echt een aparte categorie: de haci’s uit Indonesië, Maleisië en Singapore onderscheiden zich van de andere haci’s door hun opvallend goed georganiseerde groepen, zelfde pakjes en hun beleefdheid. Dikke vette respect voor hoe strak zij de boel bij elkaar weten te houden en voor de eerbiedwaardige manier van omgaan met andere pelgrims.

2. De emotionele pelgrims. Dit zijn niet persé haci’s uit een specifiek land of gebied. Ze zitten ook bij mij in de groep. Vaak zijn het vrouwen die bij het vallen van de woorden Peygamber (profeet,) Allah, Muhammed of iets van die strekking in tranen uitbarsten. Soms is me duidelijk waarom (ook ik heb gevoelens) vaak is het dat absoluut niet.
Wel mooi hoe verschillend mensen huilen. Sommigen doen dat door hun lachen heen, een ander kauwt intussen op zijn onderlip, weer een ander hurkt op de grond, verbergt zich onder een sjaal of hoofddoek en laat het luide weeklagen aanvangen.

3. De haci’s die weten wat ze doen, waarom, en hoe ze dat het beste kunnen aanpakken: vaak mannen. In mooie djellaba’s, dektashi’s, tulbanden en baarden van zeer goede kwaliteit. Je ziet aan ze dat ze hoogopgeleid zijn, spreken vaak meerdere talen en zijn de hoffelijkheid zelf. Vaak een Samaritaan. De modelmoslim die iedereen voor laat gaan en bij misverstanden bemiddelt of vermanend toespreekt. Ik zag er één die een grote doos waterflessen kocht en ze aan alle pelgrims die langskwamen uitdeelde.

4. Hierop aansluitend: de haci die niet weet wat hem overkomt, waar ‘ie is en wat ‘ie moet doen. Zowel mannen als vrouwen.
Niet weten hoe een roltrap of lift werkt is een letterlijk voorbeeld.
Maar ook gezien: een pelgrim met een wazige blik in de ogen die niet meer op zijn benen kan staan, maar toch wel de tavaf rond de Kaaba wil maken.

5. De zieke haci. Vaak oud. Bijna allemaal uit derdewereld landen. Vaak haci’s die stiekem bidden dat ze op heilige grond kunnen sterven, zodat ze er in begraven kunnen worden: wie hier sterft zal hier ook rusten.

6. De gelukkige haci.
Mijn vader en ik horen bij deze groep.
De haci die zich bewust is dat hij/zij bij een kleine (zij het miljoenen tellende) groep hoort die het geluk mag smaken hier te zijn. Veruit de meeste pelgrims horen bij deze groep.

7. Last but not least: de vieze haci.
Deze haci rochelt, stinkt, laat boeren en scheten, is ongewassen en slaapt waar hij slapen kan. Zorgt voor een enorm contrast. Je kunt bidden, mediteren wat je wilt: zo lang er een boeren latende Pakistaan die zich al dagen niet gewassen heeft tegen je aan leunt in zijn slaap en zijn oorharen je in je nek kriebelen wordt het moeilijk om in een mystieke staat van Zijn terecht te komen.